fotofolder3 tekening

Hoe het begon

Al rond 1250 moeten er dragers in Schiedam geweest zijn. Zij droegen goederen van het ene schip naar het andere. Over de net gelegde dam in de Schie. Deze dragers organiseerden zich een eeuw later in een gilde. De juiste datum is niet bekend. Deze zal vergelijkbaar zijn met andere havensteden en in ieder geval voor 1465 liggen. Toen was namelijk de eerste vermelding van het Anthoniusgilde in het Keurboek van Schiedam.

In Nederland had Dordrecht het oudste dragersgilde. De Mazelaars beschikten ergens in 1300 al over een gildehuis. Vele andere steden kregen ook een gildehuis voor de zakkendragers. Bijvoorbeeld Delfshaven in 1653 en Schiedam in 1699 dat in 1725 volledig werd herbouwd. Dat staat er nu nog steeds in dezelfde vorm en wordt als monument beschermd.

Hoe het verder ging (tot 1795)

In de vijftiende eeuw wordt het dragersgilde genoemd. Dan als oudste en belangrijkste gilde van Schiedam. Vanuit de St. Janskerk werden ieder jaar meerdere processies gelopen. Alle ongeveer 20 gilden liepen daar in een vaste volgorde in mee. Het St. Anthoniusgilde der Zakkendragers liep altijd voorop.

In 1486 verbiedt de stad Schiedam het dragen van goederen tegen betaling. Alleen burgers die lid zijn van het dragersgilde mochten dat nog.

Het aantal leden kende een maximum. In de hoogtijdagen was dat ongeveer 100 man. Pas als een lid stopte of overleed, kon een nieuw lid toetreden. Die moest wel al minimaal een jaar nooddrager (invaller als er veel werk was) zijn.

Het loon

De stad Schiedam regelde ook het dragersloon. Dit lag vast in een ordonnantie. In 1577 werd dit voor het eerst heel uitvoerig en precies gedaan. De overheid bepaalde dus wat de zakkendrager mocht verdienen. Het bedrag was afhankelijk van de soort vracht en de af te leggen afstand. Als goederen werden bijvoorbeeld genoemd haring, koren, bier, wijn, kalk, hout, zout, turf, steenkolen en hennep. Niet alles ging dus in zakken, maar werd wel met "de lijve of de hals" gedragen.

Rond 1580 kwamen de zakkendragers al regelmatig in opstand tegen de lage lonen. Men staakte of vroeg meer geld dan toegestaan. Het gilde werd daarom in 1581 opgeheven. Iedereen mocht weer dragerwerk verrichten. Dit duurde tot 1 augustus 1594.

Toen kwam er een nieuwe ordonnantie met hogere lonen. Het gilde mocht na 13 jaar weer aan de slag. Met enkele tussentijdse aanpassingen, deed deze ordonnantie dienst tot 1797.

De Franse tijd (1795 - 1813)

Nederland werd in 1795 door de Fransen “bevrijd”. De Bataafse Republiek werd uitgeroepen. De Nederlandse Patriotten kregen het voor het zeggen. Zij namen uit Frankrijk veel van de patriottische ideeën over. Een daarvan was het opheffen van de gilden. Toch had men nog steeds behoefte aan georganiseerde dragers. Het in 1798 opgeheven Anthoniusgilde ging verder als een corporatie. Deze moest de “busse”, de schatkist van het gilde, blijven beheren.

In 1813 ontdeden de Nederlanden zich van het Franse juk. Nederland en België werden samen een zelfstandige staat. Het gilde werd in ere hersteld met als naam het St. Anthonius-Gilde der Zakkendragers.

Hoe het verder ging (1813 - 1940)

Dat duurde echter niet lang. Het principe van de vrije markt kreeg toch de voorkeur. In 1820 hief Koning Willem I definitief de gilden op vanwege hun beslotenheid. De gilden moesten verder als corporatie of vereniging. Het lidmaatschap hiervan stond voor iedereen open.

Een nieuwe drager moest wel gezond van lijf en leden zijn, voor het werk geschikt,  van "goed zedelijk" gedrag en tussen de 20 en 30 jaar oud. In Schiedam werd het reglement op de stadsdragers uitgevaardigd. Alle accijnsgoederen mochten uitsluitend stadsdragers lossen en dragen. Daarbij werd het oude gilde met dezelfde mensen omgezet in de Vereniging van Zakkendragers, die tevens in opdracht van "Koopluiden en Fabrikanten" andere goederen ging versjouwen.

Met het gilde verdween ook de functie van Deken, de hoogste baas binnen het zakkendragersgilde. De gemeente stelde een Commissaris der Zakkendragers aan. Die ging het werk verdelen. Een gemeentelijke Loonmaker stelde de draaglonen vast. De leden mochten het bestuur van de vereniging, bestaande uit vier hoofdlieden, uit hun midden kiezen. Het stadsbestuur moest wel eerst de kandidaten goedkeuren.

De naam St. Anthoniusgilde bleef ondanks de veranderingen tot ver na 1940 in de volksmond bestaan en stond zelfs in de jaarboeken van de stad Schiedam vermeld. Zo treffen we in 1929 in het Jaarboek Schiedam aan: Vereeniging van Zakkendragers genaamd "ST. ANTHONIUS-GILDE". Bestuur : J. Zagwijn en J.N. van Thienen. En in 1929, 1934 en 1941 in het Jaarboek Schiedam onder “GEBOUWEN EN INRICHTINGEN VAN ALGEMEENEN AARD, d. Ten dienste van Handel, Nijverheid en Verkeer”: Zakkendragershuisje, Kolk (Schie); eigendom der corporatie, welke oudtijds den naam van St. Anthoniusgilde heeft gedragen en nog altijd zoo genoemd wordt, maar nu eigenlijk Compagnieschap der Zakkendragers heet.

Jeneverstad Schiedam

In de 17e eeuw werd Schiedam een jeneverstad in plaats van een vissersplaats. Het gilde draagt dan hoofdzakelijk nog graan en kolen, maar is verplicht alle soorten goederen te dragen. Graan werd in grote hoeveelheden voor de branderijen aangevoerd.

Dobbelen om werk

Er moesten dagelijks een of meer schepen gelost worden. De Gildemeester en later de Commissaris luidde dan telkens de klok van het Zakkendragershuisje. Ook keerde hij een zandloper om. De zandloper liep precies zeven minuten. Na die zeven minuten ging de deur van het Zakkendragershuisje dicht. Wie dan binnen was, kon meedingen naar het werk. En werk betekende toen brood op de plank. De voorman bepaalde hoeveel man hij voor het werk nodig had.

Meedingen ging door dobbelstenen te gooien. Dat moest zo eerlijk mogelijk gebeuren. Zonder handigheidjes. Het werpen ging in een trechter met een bak eronder. Smakken heette dat. De dragers die de hoogste ogen gooiden, konden aan het werk. In het Zakkendragershuisje lagen de gereedschappen al klaar. De smakbak is nu nog steeds aanwezig.

Het einde van het Schiedamse Zakkendragersgilde

In 1939 stopte het Anthoniusgilde. Er was te weinig werk. Bovendien waren er nog maar zeven leden. Ook in andere steden hielden zakkendragersgilden op te bestaan. Zoals in Maassluis (1940), Delfshaven (1943) en Dordrecht (1950).

In 1943 werd een deel van de gereedschappen verkocht. Een ander deel staat in het Stedelijk Museum en het Jenevermuseum van Schiedam. Het zakkendragershuisje werd eigendom van de Gemeente.